De nieuwe SBTi-standaard: van numerieke prestatie naar bewezen ambitie

De Science Based Targets initiative heeft Versie 2.0 van de Corporate Net-Zero Standard uitgebracht. Geen update, maar een complete herschrijving. En als je naar alle wijzigingen kijkt, zie je één beweging: van “behaal een ambitieus doel” naar “laat zien dat je levert”.

Versie 1.3 draaide om het vaststellen van een target tegen een vast historisch basisjaar. Versie 2.0 verlegt het zwaartepunt naar de uitvoering met een verplicht transitieplan, een hiërarchie die voorschrijft hoe je decarboniseert, jaarlijkse rapportage met assurance (voor grote bedrijven), en een toets aan het eind van elke 5-jaarlijkse cyclus die je dwingt steiler te reduceren als je achterloopt. Daarmee wordt een momentopname meer een continu proces.

Maar de interessantste vraag is waarom dit nodig was.

Wetenschappelijk gezien is een sectorpad een zuivere reductie aanpak: “de productie van een ton staal mag in 2040 nog zoveel CO₂ uitstoten.” Dat is voor bedrijven een benchmark en een reductiepad ineen. Het probleem? Zo’n pad werkt alleen bij een (homogeen) product of activiteit dat al in kaart is gebracht: denk aan staal, cement, stroom, transport, FLAG. Voor de overgrote meerderheid van de economie bestaat een dergelijk pad niet en zal het ook niet snel op tafel komen. Ontwikkelen van dergelijke aanpakken kost tijd en de wereld laat zich niet in sectorhokjes plaatsen.

Daarom viel Versie 1 terug op één universele aanpak voor de hele economie. Een praktische keuze en een onderbouwde proxy bij gebrek aan beter. En precies dat was voor vele bedrijven een dingetje. In veel gevallen leidde de criteria genoemd in versie 1.3 tot onrealistische reductiedoelstellingen. Een vaste jaarlijkse reductie negeert bijvoorbeeld het vervangingsritme van een fabriek of een vloot.

Daarnaast bleek een generieke aanpak lastig voor die bedrijven die al veel inzet hebben getoond in het reduceren van hun klimaataanpak. De generieke methode kijkt niet naar de handelingen die een bedrijf al heeft verricht; ze kijkt alleen naar de emissies in een gekozen basisjaar en het reductiedoel daarop. Wie de afgelopen jaren al fors heeft gesneden, begint dus telkens opnieuw aan een vol reductiepercentage vanaf zijn nieuwe, lagere niveau, terwijl een achterblijver met dezelfde lijn relatief makkelijk wegkomt. Vroege inzet wordt zo niet beloond, eerder bestraft. En daarmee werd de lat voor veel bedrijven simpelweg onhaalbaar.

Met deze context zie ik Versie 2.0 niet als een verzwakking, maar als een erkenning en een oplossing voor de geschetste onmogelijkheden. De drie nieuwe opties voor scope 1: absoluut, intensiteit, en een “asset transition”-route voor wie kapitaalgebonden is, zijn precies een getrapte aanpak om het gat te dichten. Gebruik het sectorpad waar het bestaat, val terug op het generieke waar het moet, en bied maatwerk voor de rest.

En voor de koplopers die al fors hebben gereduceerd, zit de oplossing in het basisjaar zelf. Versie 2.0 rekent niet langer met een percentage vanaf een historisch jaar, maar trekt een lijn van je huidige niveau naar een absoluut eindpunt: het emissieniveau dat bij jouw activiteiten in een net-zero-wereld nog past. Wie al dicht bij dat eindpunt zit, krijgt dus een vlakker reductiepad. Geen straf voor vroege inzet maar ook geen vrijbrief om op je handen te blijven zitten. (Wie goed keek, zag de omslag in april al aankomen. Toen werd de absolute-reductiemethode van Versie 1.3 al aangepast!)

De keerzijde van deze nieuwe op ‘bewezen ambitie’ gerichte aanpak is controleerbaarheid. Je ruilt de makkelijke controleerbaarheid van één gekwantificeerd getal in voor kwalitatief realisme. Precies daarom legt Versie 2.0 zoveel nadruk op transitieplannen, assurance en die eindtoets. Laat je de uniforme kwantificeerbare lat los, dan moet de controle op de uitvoering strakker, anders verdampt de integriteit.

Of de ruil slaagt, moet blijken. Maar 1 aspect zal de uitkomst zeker beïnvloeden en dat is de ontwikkeling van door het SBTi erkende sectorpaden. Hoe meer paden er komen, hoe minder bedrijven hoeven terug te vallen op de generieke routes, en hoe dichter we alsnog bij dat ideaal komen waarin elk bedrijf zijn eigen, wetenschappelijk onderbouwde route volgt. Precies iets dat erkend is door het SBTi en lijkt te zijn opgenomen in hun nieuwe strategie!

Voor mij lijkt de intentie duidelijk: een werkbare standaard die meer bedrijven gericht in beweging zet, is meer waard dan een standaard die afschrikt.

Liked this post? Share with others!

Geïnteresseerd in de mogelijkheden?